Franz Schubert (Wenen, 1797 - 1828) schreef in de laatste twee jaar van zijn korte leven een cyclus van 24 liederen voor stem en piano(forte) - "Winterreise" - op gedichten van Wilhelm Müller. De cyclus vertelt het verhaal van een man die, afgewezen door zijn aanbedene, een barre tocht onderneemt door een winters landschap. De liederen gaan over zijn eenzaamheid, de onherbergzaamheid van het landschap, zijn behoefte aan warmte en liefde, maar ook over onzekerheid over zijn uiteindelijke bestemming.
De tekst en de muziek zijn zwanger van weemoed en verlangen, van angst en eenzaamheid. Ter illustratie hieronder de tekst van het derde lied:
Gefror'ne Tränen
Gefror‘ne Tropfen fallen
Von meinen Wangen ab:
Ob es mir denn entgangen,
Daß ich geweinet hab' ?
Ei Tränen, meine Tränen,
Und seid ihr gar so lau,
Daß ihr erstarrt zu Eise
Wie kühler Morgentau ?
Und dringt doch aus der Quelle
Der Brust so glühend heiß,
Als wolltet ihr zerschmelzen
Des ganzen Winters Eis !
|