Eb
Achter mijn handen schuil ik,
in een geheim geborchte
op een scherventerp.
Daar, waar de god mij wijst
aan de lachers,
aan de spotters,
aan de erbarmelozen
en de weters
in mij verborgen,
daar bid ik om vergeving
van mijn obelisken schuld.
Als een meeuw,
zo krijs ik daar,
zo krijs ik daar.
En komt de zee
weer terug, dan,
ja dan zal ik zwemmen,
mee met de stroom en
weer doen wie mij verwacht,
steeds opnieuw.
